Interview Bob Witman
Fotografie Merlijn Doomernik

Elke componist is met een klein publiek begonnen

In het Muziekgebouw komt de levende componist samen met de musici die zijn
werk uitvoeren. Die symbiose tussen componeren en het laten horen ervan, is een rijke traditie aan ’t IJ die “nooit afgebroken mag worden”, vindt Reinbert de Leeuw.

“Er is geen grotere straf denkbaar voor een componist dan dat hij zijn eigen muziek nooit zal horen.” Reinbert de Leeuw (1938), dirigent/pianist, bezorger van zo veel mooie muziek in Nederland, én aanvoerder van het Asko|Schönberg ensemble, is vol onbegrip over het gure klimaat waar de nieuwe muziek door dreigende bezuinigingen in is beland. “Het gaat niet om een concert meer of minder. Het gaat over vijftig jaar traditie die in Amsterdam is opgebouwd met componisten als Andriessen, Ligeti, Kagel en Kurtág. Het Muziekgebouw is een cruciale schakel in de geschiedenis van de levende muziek.”

Voor De Leeuw is die rol van het Muziekgebouw vergelijkbaar met de historische band tussen het Concertgebouworkest en Mahler. “De innige relatie tussen de Oostenrijkse componist en de Nederlandse dirigent Mengelberg heeft geleid tot een Mahlertraditie die tot op de dag van vandaag wereldwijd afstraalt op het orkest. Een cadeau van de muziekgeschiedenis aan Amsterdam.”

Dat hedendaagse componisten als Ligeti en Kurtág voor Asko|Schönberg hebben gekozen om hun complete oeuvre muzikaal te registreren, komt omdat zij aan het IJ consequent worden gevolgd en gespeeld. “Het resultaat van een jarenlang opgebouwde uitvoeringspraktijk.” Die opnames – onder toeziend oog van de componist gemaakt – vormen een historisch muziekdocument. “Want zo wil de componist dat het klinkt, het is zijn norm. Een document dat over honderd jaar nog steeds relevant is.”

Amsterdam tel je muziekzegeningen, wil De Leeuw maar zeggen. Het lastige van dit tijdgewricht is dat zeer veel interessante muziek zich verdringt om gespeeld te worden. “In Mozarts tijd speelden ze alleen Mozart en Haydn. Bach werd al niet meer gespeeld.” En De Leeuw is een man die graag nieuwe vondsten aandraagt, zoals hij ooit Satie en Antheil naar het grote publiek bracht. “Maar elke componist is met een klein publiek begonnen. Als ik nu Andriessen dirigeer, is het altijd uitverkocht – zowel in de VS als in Nederland. Dat was natuurlijk niet zo toen Andriessen begon.”

Voor De Leeuw is Muziekgebouw aan ’t IJ “het huis van de twintigste-eeuwse muziek”, zoals Het Concertgebouw de muziek van voor die tijd in ere houdt. Die grens in de muziek begon in 1906, met Schönbergs Kammersymphonie, die het einde van de tonaliteit inluidde. Deze ontwikkeling loopt door tot de dag van vandaag. “We mogen niet stoppen met het spelen van nieuwe componisten, dan wordt het een museum.”

De Leeuw verheugt zich op veel in het nieuwe seizoen, maar vooral op de samenwerking tussen Asko|Schönberg en de Hongaar Kurtág. Hoewel deze “notoir kritisch is en lastig voor de uitvoerend muzikanten”. Maar de muziek is zo krachtig, zo intens. “Er is nog zo veel geweldigs dat er om vraagt gespeeld te worden.”

Asko|Schönberg is ensemble in residence

Concerten in deze serie

Geen concerten gevonden in deze serie.