Reinbert de Leeuw (foto Merlijn Doomernik)

 Interview met Reinbert de Leeuw over De Materie van Louis Andriessen

Als er iemand is die De Materie van Louis Andriessen van haver tot gort kent, is het Reinbert de Leeuw wel. Niet alleen dirigeerde De Leeuw in 1989 de première van het magnum opus van zijn boezemvriend, hij leidde ook talloze hernemingen, van Rotterdam tot New York en van Londen tot Los Angeles. Misschien kent De Leeuw het werk inmiddels wel beter dan Andriessen zelf.

Die suggestie bagatelliseert De Leeuw (1938) onmiddellijk, tijdens een gesprek bij hem thuis in Amsterdam. Maar Andriessen vertrouwt hem volledig, geeft hij toe, en De Leeuw weet precies hoe Andriessen zijn noten wil horen. ‘Ik heb met heel veel componisten gewerkt’, zegt De Leeuw, ‘maar met niemand zo intens als met Louis. Wij kennen elkaar inmiddels 55 jaar. Ik heb hem al die tijd van nabij gevolgd en talloze stukken van hem gespeeld.’

Hoe zou u Louis Andriessen als componist omschrijven?
‘Het mooie aan Louis is dat volkomen zichzelf is in zijn muziek. Die muziek reflecteert zijn volledige persoonlijkheid. Hij componeert iedere dag, met ijzeren discipline. Hij durft enorme risico’s te nemen, kiest nooit de voor de hand liggende oplossing. Daar heb ik grote bewondering voor.

‘Zijn hele familie maakte muziek, zijn broer en zijn vader waren componist. Ik denk dat toen Louis acht was het al duidelijk was dat hij componist zou worden. Voor mij is het een worsteling geweest om me te kunnen wijden aan de muziek, maar voor Louis was dat vanzelfsprekend. Dat vind ik jaloersmakend. Het gemak waarmee hij componeert is verbluffend, in alle genres en bezettingen.

‘De grootheid van Louis is dat hij ondanks dat gemak een geheel eigen signatuur heeft ontwikkeld. Dat grote gemak kan namelijk ook een valkuil zijn. Hij is zelfs een jaar gestopt met componeren, om zich te bezinnen: wat wil ik nou echt? Dat leidde uiteindelijk tot de radicale werken van de jaren 70 en 80. Dat zijn stuk voor stuk statements: De Volharding, De Staat, Hoketus, De Tijd, De Snelheid, De Materie. Daarin vond hij niet alleen muzikaal zijn draai, ook zijn maatschappelijke en politieke engagement kreeg een plek.’

Wat kenmerkt dat eigen geluid van Andriessen?
‘Er is een filmpje waarin Stravinsky van achter een staande piano vertelt dat hij zijn muziek het liefste op dat instrument hoort: nauwelijks boventonen, een en al attack. Stravinsky was Louis’ grote held, waarschijnlijk al vanaf zijn vijfde, en die fascinatie met attack en articulatie deelt hij. Geen gevoeligheden, geen vibrato, en vooral messcherp articuleren. Asko|Schönberg heeft dat geïnternaliseerd. Bij andere orkesten, zelfs de Los Angeles Philharmonic – wat een fantastisch orkest is, dat veel voor Louis’ muziek heeft gedaan – is dat nog weleens lastig.

‘Het knappe van Louis is dat je al zijn grote muzikale liefdes terughoort in zijn eigen muziek, zonder dat het pastiche wordt. Ook daarin lijkt hij op Stravinsky – die heeft in totaal verschillende stijlen gecomponeerd, maar je pikt hem er na twee seconden uit. In Louis’ geval is er de voorliefde voor Franse muziek, die hij van huis uit heeft meegekregen, en een gevoeligheid voor de jazz en pop die kwamen overwaaien uit de VS. Sowieso waren wij gek op Amerikaanse muziek. Wij zijn van de generatie die werd opgezadeld met de idealen van de naoorlogse avant-garde, die we als zeer dwingend ervoeren. Er mocht zoveel níet. De ontdekking van Amerikaanse componisten als Ives en Cage was indertijd een enorme bevrijding.

‘En in de jaren 60 kwam daar de muziek van Steve Reich en Terry Riley bij. Dat was wat, hoor! Alsof er een bom afging. Zij wilden niks met de Europese modernisten te maken hebben. Zij stonden helemaal los van die traditie en schreven muziek die alleen maar in Amerika geschreven kon worden. Ik heb in die tijd Reichs Piano Phase uitgevoerd, samen met Maarten Bon. Dat zijn maar acht noten, geloof ik, maar daar hebben we eindeloos op gerepeteerd.’

Is het logisch dat Andriessen klinkt in een festival voor minimal music?
‘De invloed van Amerikaanse muziek op Louis is zonneklaar. Maar de term minimal music slaat vooral op de innovaties uit de jaren 60, zoals In C van Riley en de Phasestukken van Reich. Componisten hebben zich daar vervolgens op heel individuele wijze door laten inspireren. De Staat [Andriessens internationale doorbraakstuk uit 1976, JS] is een goed voorbeeld. Louis stak niet onder stoelen of banken dat hij naar Steve Reich had geluisterd. Maar hij zette die invloed meteen naar zijn hand. Uit zeer heterogene elementen maakte hij iets nieuws dat onmiskenbaar zijn stempel droeg. “Componisten zijn kleptomanen”, is een bekende uitspraak van Stravinsky, en Louis zegt hem dat na.

‘Het leuke is dat De Staat de hele wereld over ging, óók naar Amerika. Daar werd Louis als een held onthaald. Hij inspireerde op zijn beurt een hele reeks jongere Amerikaanse componisten, zoals John Adams en de groep van Bang on a Can [collectief opgericht door Julia Wolfe, David Lang en Michael Gordon, JS]. Van al die componisten kun je zeggen dat ze beïnvloed zijn door minimal music, maar hun werk is heel divers en heeft ook andere invloeden ondergaan.”

Wat maakt De Materie zo bijzonder?
‘Het is een machtig werk, vier van die massieve blokken – de vorm doet denken aan een enorme symfonie, maar de muziek is tegelijk heel theatraal, gemaakt voor het operahuis. De interne logica en samenhang zijn onontkoombaar. Maar de grote innovatie van De Materie is toch wel het tweede deel, Hadewijch. Ik herinner me nog goed dat ik de partituur voor het eerst zag. Ik was zeer onder de indruk, en tegelijkertijd dacht ik: nu hebben we de complete Louis. De furieuze hamermuziek van het eerste deel, de swingende boogiewoogie van het derde deel, De Stijl, die maakten al deel uit van zijn palet. De lyriek en intimiteit van Hadewijch voegden daar een nieuw aspect aan toe. In De Materie kwam voor het eerst alles samen.’

Is het moeilijke muziek om uit te voeren?
‘Die eerste 144 hamerslagen zijn eenvoudig, die versnellen gelijkmatig – maar daarná! De muziek is zo buitengewoon onregelmatig, je krijg het nooit helemaal gelijk. Dat is iedere keer weer een uitdaging. Ik heb bij een repetitie weleens geroepen: “Het is helemaal niet moeilijk, je moet gewoon niet in de rusten spelen!” Dat is een beetje een gevleugelde uitdrukking geworden. Maar iedereen staat op tilt bij die muziek. Het is loodzwaar.

‘Verder is Louis een componist bij wie je niet aan het tempo moet morrelen – wederom net als Stravinsky. Het tempo moet goed zijn, anders werkt het niet. Die vier monolithische blokken van De Materie hebben niet alleen allemaal een eigen onderwerp, maar ook een eigen tempo. Ze duren allemaal ongeveer even lang, en telkens moet je gedurende 25 minuten dat juiste tempo vasthouden. Zo erg als De Snelheid en De Tijd is het niet, dat zijn stukken waar ik nog iedere keer als een berg tegen opzie. Terwijl het fantastische muziek is. Bij De Materie geldt: als je dat eerste deel maar gehad hebt, dan gaat de rest vanzelf – min of meer.

‘Louis’ latere opera’s, zoals La commedia en Theatre of the world, zijn in muzikaal opzicht veel narratiever, minder conceptueel dan die vroegere radicale stukken. Het klinkt nog steeds helemaal als Louis, maar beweeglijker en minder rigide. Dat hij zichzelf is blijven ontwikkelen en vernieuwen en dat hij die souplesse heeft bereikt, dat vind ik ongelooflijk knap. En toch, De Materie – daar kijk ik altijd weer naar uit.’

 

Door Joep Stapel

 

 

 

Wij gebruiken cookies

Onze website maakt gebruik van cookies

Meer informatie

X