Stefan Prins

‘Ik wil zeker geen nihilistische muziek maken’

Stefan Prins vertolkt in inhabit_inhibit met gierende luidsprekers wat er gebeurt als natuurlijke processen zoals klimaatverandering uit de hand lopen. ‘Godmiljaar, dat is wel duister eigenlijk.’ Lees hier het interview dat Frank Mulder namens De Groene Amsterdammer had met Prins, en kom meer te weten over de aanstaande première op 24 februari 2022.

Stefan Prins (1979) is een Vlaamse componist die is opgeleid als ingenieur én als componist. Hij studeerde piano en compositie, en promoveerde als componist aan Harvard. Zelf maakt hij ook gewoon nog muziek, althans, gewoon, hij experimenteert en schrijft en improviseert, en speelt net zo lief op de laptop als op de piano, en mixt dat allemaal met andere beelden en geluiden. Tijdens zijn muziekstudies bleef hij gefascineerd door techniek en volgde hij vakken cultuurfilosofie en techniekfilosofie.

Op zijn website staat dat Prins wil ‘afrekenen met esthetische axioma’s. Hij ziet een kunstvorm voor zich voorbij de veilige begrenzingen van de scene, waarin de connectie met een wijder cultureel discours verloren is’. Hij is bereid ‘de technieken en de mechanismen van de voorgefabriceerde media te gebruiken op zoek naar nieuwe mogelijkheden voor nieuwe muziek’.

Dat zijn grote woorden. ‘Concreet betekent dit dat ik vaak een combinatie maak van klassieke instrumenten en nieuwe media’, legt Prins uit in een videogesprek. ‘Zo maak ik vaak gebruik van elektronica en video. Maar dat is niet alleen de vorm, het is het ook de thematiek die eronder ligt.'

'Het gaat bij mij altijd over de relatie tussen mens en techniek.
Ik ben geïnteresseerd in de interactie tussen digitaal en analoog,
tussen echt en virtueel.'

In Generation Kill bijvoorbeeld, van een aantal jaar geleden, speelden vier muzikanten achter een halftransparant doek. Op het doek zag je tegelijk de projecties van diezelfde muzikanten, maar dat waren beelden die via een gamecontroller door andere musici werden bestuurd. Het publiek wist op een gegeven moment niet meer wat echt is en wat nep. Tegen het eind van het stuk werden de muzikanten vervangen door drones die bommen dropten boven Afghanistan, ook bestuurd door gamecontrollers. Prins speelt dus niet alleen met de beleving van scherm en de beleving van realiteit, hij verwijst bewust ook naar de brede maatschappelijke gevolgen daarvan.

In zijn stuk Mirror Box Extensions liet hij naast de muzikanten ook videoprojecties van andere muzikanten zien. Tegelijk zaten er in het publiek mensen die met een tablet foto’s maakten, maar die zaten in het complot. Op een gegeven moment werden hun tablets schermen waar muzikanten op te zien waren. Het werd een virtuele laag die naar je toekwam. En weer later werden die schermen spiegels. In dit alles probeert Prins mensen te confronteren met virtualiteit en de gerichtheid op onszelf die daarin te vinden is.

Zou het publiek dat allemaal door hebben of vinden ze het gewoon gaaf om naar intense en overdonderende muziek te luisteren? ‘Dat is de eeuwige vraag’, zegt Prins lachend. ‘Laat ik zeggen dat mijn stukken geen manifest zijn, of statements. Ze moeten allereerst esthetisch zijn. Maar ik wil er wel een conceptuele laag onder leggen. De ene keer staat dat meer op de voorgrond dan de andere keer.’ Tijdens dit gesprek zit Prins bijvoorbeeld in een hotel in Donaueschingen, waar de dag erna een première wordt opgevoerd van een nieuw stuk van hem. ‘Het is een stuk voor een elektrische gitaar met een orkest. Dat orkest gaat functioneren als versterker van de gitaar. In dit stuk zit verder geen politieke boodschap, het gaat me vooral om een klankervaring.’

Mens als onderdeel van de natuur
Met inhabit_inhibit, dat komend voorjaar in het Muziekgebouw wordt opgevoerd, beweegt Prins juist weer meer naar de maatschappelijke kant. Volgens de aankondiging gaat het over klimaatverandering. Beter gezegd: klimaatramp. ‘Want klimaatverandering is veel te soft’, zegt Prins, die zich voor dit stuk heeft laten inspireren door filosoof Timothy Morton. Morton is een radicale Engelse denker die veel schrijft over het Antropoceen, het tijdperk waarin de mens planetaire invloed heeft gekregen. Morton windt er geen doekjes om: het leidt niet alleen tot een klimaatramp die doordreunt tot in de verre toekomst, maar ook tot de grootste uitstervingsgolf sinds de dinosauriërs van het toneel verdwenen. Niet alleen is dit de eerste keer dat de mens de beslissende factor is in het klimaat, maar het is ook de eerste keer dat de mens zich bewust is van zijn planetaire rol. Volgens Morton zouden we moeten ophouden met de natuur te benaderen als ‘natuur’, en onszelf als autonome toekijkers en gebruikers van die natuur. We zijn er juist deel van en de grens tussen ons en onze omgeving is heel moeilijk te trekken.

‘Mijn stuk gaat over inhabit, hoe we in onze omgeving leven, maar ook over inhibit, de grenzen waar we tegenaan lopen. Die is wel geïnspireerd door de vraag: hoe kunnen we symbiotisch met onze omgeving omgaan? Daarmee bedoel ik: hoe kunnen we de balans vinden met onze omgeving, zonder die te vernietigen? We hebben in de natuur te maken met tipping points: met punten waarop de verandering ineens exponentieel gaat, de verandering in onze environmental situation. Sorry voor het Engels, ik kan het soms niet meer goed in het Nederlands zeggen. Maar concreet denk ik bijvoorbeeld aan het tempo van uitsterven van planten en dieren, dat gaat zo hard dat het op een gegeven moment exponentieel wordt. Het systeem is uit balans.’

Is dit straks allemaal uit de muziek te halen? ‘Als ik het zo uitleg komt het misschien wat zwaar over. Ik weet niet of je daar meteen allemaal aan denkt als je het hoort. En dat hoeft ook niet, ik wil vooral een esthetische ervaring geven. Het leven is ingewikkeld, dus ik heb ook geen behoefte om een eenduidige boodschap te geven.’ Maar Prins hoopt wel dat die esthetische ervaring verder gaat dan een mooi gevoel. ‘Ik hoop dat de ervaring niet alleen je gevoel raakt, maar ook je hoofd.’ 

'Ik ga zelf bij het schrijven echt uit van de klankbeleving.
Ik denk niet aan schoonheid of lelijkheid.'

Speelbal van de techniek
In het stuk speelt Prins met het thema ‘feedback’. Het stuk is een soort concerto grosso, opgesteld in een kruisvorm. In het midden staan een harp en een piano. Op vier punten daaromheen staan houtblazers. Daartussen vier kwartetten. De blazers op de hoekpunten hebben allemaal een microfoontje in hun instrument dat gekoppeld is aan luidsprekers. Dat leidt tot feedback, zo’n irritante microfoon die te dicht bij de luidspreker staat. ‘Maar hier is het juist interessant’, zegt Prins. ‘Hoe dichter de blazer bij de luidsprekers komt, hoe meer feedback er komt. Maar hij kan nog steeds blazen en de kleppen bedienen en zo de feedback manipuleren. En hij kan verder of minder ver bij de luidsprekers vandaan bewegen. Dus hij is voor de helft mens en voor de helft een speelbal van de techniek, van zijn omgeving. Je ziet hier de interactie tussen de mens en augmented human en zijn environment, zijn omgeving.’

Als je schoonheid of harmonie zoekt, zal je waarschijnlijk wel een beetje je best moeten doen. ‘Ik ken wel mensen die dit vooral associëren met desillusie en chaos. Maar ik ga zelf bij het schrijven echt uit van de klankbeleving. Ik denk niet aan schoonheid of lelijkheid. Vorige week, bij een repetitie, zei ik nog tegen de muzikanten: “Enjoy the beauty of ugly sounds.” Ik ben zelf een heel positief persoon, ik voel me bevoorrecht. Toch wordt mijn muziek vaak wel brutaal of ruw, als je dat zo kunt noemen. Een psychoanalyticus zou misschien zeggen dat dat mij helpt om mezelf gezond te houden.’ Maar het is niet zijn bedoeling om alleen maar af te breken. ‘Ik wil zeker geen nihilistische muziek maken. Ik ervaar daar juist wel schoonheid in. Een goede vriend vertelde eens dat er bij mij altijd een moment in zit van sublimatie. Wat dat is? Lastig te omschrijven. Het zijn in elk geval momenten waarbij je gewichtloosheid ervaart, of juister: zwaartekrachtloosheid. Dat je ineens voelt dat de muziek niet alleen gaat over de materiële componenten maar dat het boven zichzelf uitstijgt. Ik ben niet religieus, dus ik kan daar moeilijk woorden aan geven.’

Het heeft ook te maken met een gevoel dat we als mens soms hebben bij een mooi uitzicht, dat we ineens voelen dat er meer is dan alleen de som der delen. ‘Ja, dat voel ik wel eens als ik onder een boom zit. Wauw, denk ik dan, deze boom is wel vijfhonderd jaar oud, of misschien wel meer. Plots wordt het dan meer voor me dan een boom.’

Realiteit en virtualiteit
Het stuk inhabit_inhibit is al een tijdje klaar, Prins had het twee jaar geleden al af maar door omstandigheden, zoals corona, werd dat steeds uitgesteld. Na de première in het Muziekgebouw staat in elk geval nog een opvoering op de rol in Berlijn, een jaar later. Vervolgens heeft hij anderhalf jaar gewerkt aan het stuk dat de dag na dit gesprek wordt opgevoerd in Duitsland. En verder is Prins artistiek co-leider van het Nadar Ensemble, een Vlaams ensemble voor contemporaine muziek. ‘Ik ga in een groot werk voor Nadar verder in op het idee van virtual reality versus de realiteit. We maken daar een stuk met verschillende tussenstops, waarbij op elke stop een andere relatie te zien is tussen de realiteit en de virtualiteit. Deels speelt dat stuk zich af buiten de concertzaal, waar mensen ook met hun smartphones bij betrokken zijn. Het heet Der Wanderer 2.0, naar een lied van Schubert.’

Uiteindelijk gaat het bij Prins altijd weer over de relatie tussen mens en techniek. ‘Soms denk ik achteraf, als ik iets van mezelf terugluister: godmiljaar, dat is wel duister eigenlijk. Maar daar kan ik juist van genieten. Ik kan uren luisteren naar scratchen en noise, technieken die ik zelf ook gebruik. Ik hoor daar dan ook het sublieme in.’ Om dat te ervaren tijdens een uitvoering moet je wel een zekere welwillendheid hebben, verklapt hij. ‘Je moet daar wel bewust je antennes op afstemmen.’  

inhabit_inhibit is een compositieopdracht van Asko|Schönberg en Muziekgebouw aan 't IJ, met steun van Ammodo en Ernst von Siemens Musikstiftung. Dit artikel verscheen eerder in een bijlage van De Groene Amsterdammer.