Jörg Widmann (foto Marco Borggreve)

Met het omwindsel van de strijkstok

Jörg Widmann - Negende strijkkwartet

22 september 2022

Zijn Negende strijkkwartet baseerde Jörg Widmann op Beethoven – een componist net zo vooruitstrevend als Widmann zelf. ‘Pám padám padám padáh! Dat ritme liet me niet meer los. 

Door Frederike Berntsen

Hij componeert op ouderwetse wijze, met potlood en papier, alleen dan kan Jörg Widmann iedere noot de betekenis meegeven die hij nodig vindt. Hij drukt het grafiet bijna door het notenvel heen als hij aan de kracht van componisten als Bartók en Beethoven denkt. Tijdens het schrijven voelt hij de intensiteit van hun muziek. Jörg Widmann (1973) is actief als klarinettist, componist en dirigent, en alles op volle toeren. Hij belichaamt het Renaissance-ideaal van de homo universalis. Waar deze Duitser zijn uren vandaan haalt is een raadsel, het schijnt dat de nacht hem de inspiratie, de stilte en de schrijfuren brengt om te componeren. Het Zoomgesprek over zijn Negende strijkkwartet, opgedragen aan het Ruysdael Kwartet, voert hij vanuit zijn Taiwanese hotelkamer. Een aantal concerten staat op stapel. Maar eerst drie dagen in quarantaine: alles voor de kunst.


Jörg Widmann (foto Marco Borggreve)

Hij pakt een potlood en laat via de computerlens zien hoe hij het schrijfproces aanpakt. Met gefronste wenkbrauwen duwt hij het potlood naar beneden op een denkbeeldig stuk papier. ‘Snap je dat? Ik móet het zo doen.’ Widmann werkt niet alleen vanuit een fysiek gevoel, zijn muziek ís ook fysiek. Hij verlangt die inspanning van zichzelf, schrijvend, en ook als uitvoerend musicus. Wanneer hij in de zaal luistert terwijl zijn werk in première gaat, verliest hij ter plekke gewicht, zo intens is hij verbonden met de materie. Van de uitvoerders verwacht hij eenzelfde overgave.

In 2005 rondde de alleskunner zijn eerste kwartetcyclus af: vijf stuks, hij had gesnuffeld aan het genre en probeerde in ieder werk een andere muzikale taal uit. Daarna liet hij het kwartetidee liggen, hij wist niet hoe hij ermee verder moest komen. Op een dag kreeg hij telefoon van dirigent Mariss Jansons die hem vroeg om een werk voor orkest te schrijven, geïnspireerd op Beethovens Zevende en Achtste symfonie. Beethoven? Hoe kon hij zich nu meten met die grootheid? Onmogelijk. Jansons haalde hem over om zich grondig in de componist te verdiepen. ‘Beethoven was zo modern, hij zou je moeten inspireren in plaats van afschrikken’, prentte hij Widmann in. Het orkestwerk Con brio was het resultaat.

Beethoven liet Widmann niet meer los. In 2020 begon hij een volgende serie kwartetten, ditmaal met het oeuvre voor strijkkwartet van de Weense classicus als inspiratiebron. In deze reeks deed Widmann een poging zijn obsessie voor Beethoven in muziek om te zetten. Binnen twee jaar lag er een cyclus op tafel, met als laatste voltooide werk het Negende strijkkwartet.

‘Ik heb eerst maandenlang naar Beethovens muziek geluisterd voordat ik zelf een noot op papier kon zetten. Ik moet het idioom voelen in mijn lijf, daarna kan ik mijn fantasie laten werken. Ik ging met Beethoven naar bed en ik stond met hem op. Het zit in mijn natuur dat ik een inspiratiebron omvorm tot iets van mezelf. Het uiteindelijke resultaat kan daardoor mijlenver van het origineel af staan. Een stijlkopie maken zou artistiek gezien zonder waarde zijn, het is mijn taak als componist om iets nieuws te creëren. Met Beethoven terugkijken, nostalgisch te werk gaan, dat doe ik niet.’


Ludwig van Beethoven

Niet ieder kwartet in Widmanns tweede cyclus is aan een specifiek Beethovenkwartet gelieerd, maar het Negende wel, daarin baseerde hij zich op Opus 131 in cis-klein, Beethovens Veertiende strijkkwartet. Na de voltooiing van de Ode an die Freude, het laatste deel van zijn Negende symfonie, leefde Beethoven nog tweeënhalf jaar. In die tijd wijdde hij zich uitsluitend aan zijn late strijkkwartetten, de Himalaya van de kwartetliteratuur. Die beperking was deels door economische motieven ingegeven, uitgevers betaalden componisten beter voor nieuwe kamermuziek gericht op musicerende dilettanten dan voor symfonisch werk. Ook maakte Beethoven dubbele afspraken met verschillende uitgevers en opdrachtgevers, waardoor hij tot een zekere productie gedwongen was. Maar zonder twijfel speelde ook een rol dat Beethoven in het medium strijkkwartet de mogelijkheid zag om zijn compositorische grenzen te verleggen.

Velen beschouwen Beethovens Veertiende strijkkwartet Opus 131 als de Mount Everest onder deze werken, voor de componist zelf was het zijn lievelingsstuk. De ontroerende openingsfuga – wellicht een reactie op het onbegrip dat zijn Grosse Fuge ten deel was gevallen – is het eerste van zeven delen die zonder onderbreking in elkaar overgaan. De ideeënrijkdom, de vormbeheersing, de inventiviteit in de variaties en de emotionele draagwijdte maken dit kwartet tot een van de allerhoogste producten die de mensheid in de kunst heeft voortgebracht. Alles klopt, alles klinkt, er is geen potentieel probleem of er is op voorhand een moeiteloze oplossing voor gevonden.

De klank van Widmanns stukken is geconcentreerd, zonder special effects

Het componeerproces van Opus 131 is dan ook eerder zorgvuldig dan moeizaam te noemen: meer dan zeshonderd bladen met schetsen zijn overgeleverd. Dat grote aantal werd ook veroorzaakt door Beethovens nieuwe werkwijze: elke schets, iedere inval werd op meerdere balken genoteerd, waarbij Beethoven, hoe summier soms ook, naast de eerstevioolpartij ook de andere drie stemmen aangaf. Deze aanpak illustreert welk belang Beethoven op het eind van zijn leven hechtte aan het ambachtelijke van het componeren voor strijkkwartet: niet alleen de melodieën en de thema’s moesten volmaakt zijn, maar ook de baslijnen en de tussenstemmen. Om het de uitvoerenden mogelijk te maken inzicht te krijgen in de complexe structuur van zijn late strijkkwartetten, drong Beethoven er bij de uitgevers op aan dat ze naast de partijen ook de partituur zouden aanbieden. De volledige beheersing van het metier verschafte Beethoven de vrijheid om in zijn muzikale gedachten en emoties tot het uiterste te gaan. Beethovenkenner Jan Caeyers formuleert als volgt waartoe dat heeft geleid: ‘Beethoven [heeft] ons op het punt gebracht van dissociatie tussen muzikaal denken en voelen, tussen materialiteit en spiritualiteit.’


Jörg Widmann (foto Marco Borggreve)

Widmann houdt van doorwrochte materie, zijn rijke partituren bevatten reminiscenties aan de muziekgeschiedenis die een mix vormen met zijn eigen vondsten. Hij schrijft slim, speelt met idiomen, het ijzeren repertoire is voor hem een snoepwinkel. In zijn tweede kwartetcyclus hanteert hij een coherente taal, anders dan in zijn eerste. De klank van zijn stukken is geconcentreerd en bevat nauwelijks de special effects die hedendaagse muziek soms overwoekeren. De vorm daarentegen, daarin heeft Widmann – aan de hand van Beethoven – nieuwe ontdekkingen gedaan. In zijn eclectische muziek kan het tot de eindstreep nog alle kanten op gaan, en dat geldt ook voor het Negende strijkkwartet.

Beethoven zette Widmann ertoe aan iets te maken wat compleet nieuw was

Met het schrijven van een werk dat nauw gelieerd is aan bestaande muziek plaatst Widmann zich in een rijke traditie. Bach recyclede concerten van Vivaldi, Stravinsky bracht hommages aan Pergolesi en Tsjaikovski. Widmanns Negende toont naast overeenkomsten met Beethovens Opus 131 ook een groot aantal verschillen, de contrastwerking heeft de componist nadrukkelijk opgezocht. 

‘De toonsoort verandert per maat, we hebben het wel over hedendaagse muziek.’ Met een vuist in de lucht zingt Widmann het ritme uit het Allegro, het slotdeel van Opus 131: ‘Pám padám padám padáh! Dat ritme liet me niet meer los, je hoort het terug in het laatste deel van mijn eigen kwartet. En ook Ode an die Freude zat in mijn hoofd. Ik hield de Ode eerst op afstand, te zwaar beladen, gebruikt en misbruikt door regimes. Alle Menschen werden Brüder, we zijn er nog steeds niet in de wereld. Maar, zoals Oscar Wilde al zei: “I can resist anything but temptation…” Ik heb de melodie verwerkt in alle vier de delen van mijn negende kwartet, nu eens op de voorgrond, dan weer verborgen.’


Jörg Widmann (foto Marco Borggreve)

De laatste bladzijden, de laatste drie minuten, dat is muziek waarvan Widmann zich niet kan voorstellen dat hij haar ooit geschreven zou hebben zonder zijn intense Beethovenstudie. Zo’n orkestrale, rijke klank met alle vier de instrumenten samen, waarin tegelijk iedere individuele stem zo duidelijk uitkomt, heeft hij niet eerder voor deze formatie gecomponeerd: Beethoven zette hem ertoe aan om iets te maken wat compleet nieuw was voor hem. ‘Ik vind het een voorrecht dat ik dit stuk voor het Ruysdael heb kunnen schrijven’, benadrukt Widmann. ‘Dit ensemble kent mijn muziek goed, ik heb het karakter van hun geluid in mijn hoofd. Ik heb de musici mijn Jagdquartett horen spelen en weet waartoe ze in staat zijn. Ik ben me altijd bewust voor wie ik schrijf, ik componeer geen abstracte muziek. Laatst schreef ik het verplichte stuk voor de Koningin Elisabethwedstrijd in Brussel, 5 Albumblätter. Het idee dat het voor jonge mensen moest zijn vormde mijn drijfveer, ik wilde dat ze van de muziek zouden genieten. 

Dat het Ruysdael Kwartet mijn stuk in Amsterdam in première brengt is fantastisch. Ik hou van Amsterdam, het is een kunststad, ik heb het idee dat muziek daar diep wordt gevoeld en begrepen. Ik had niet alleen de musici maar ook de stad in mijn hoofd tijdens het schrijven.’ Het genoegen is wederzijds, vertelt Gijs Kramers, altist van het Ruysdael Kwartet: ‘Jörg Widmann weet hoe de instrumenten van het strijkkwartet werken en probeert de spelers uit hun tent te lokken. Bovendien kent hij de muziekgeschiedenis, dat voel je in elke noot. Zijn wilde ideeën zijn gebaseerd op de Europese kunsttraditie, maar hij kijkt altijd verder dan zijn neus lang is. We speelden zijn Jagdquartett. “Nog sneller, wilder!” spoorde hij ons aan – hij heeft er lak aan dat je iets misschien niet zou kunnen spelen. Ik heb dat wel geweten: in dat kwartet zit een solo voor de alt waarbij ik achtvormige bewegingen moet maken met het metalen omwindsel van mijn strijkstok op de snaar. Irghihrrrggggg, kun je dat geluid opschrijven?’


Ruysdael Kwartet (foto Eduardus Lee)

Het Ruysdael zal met de handen in het haar zitten, Widmanns Negende beslaat zo’n veertig minuten muziek zonder rust, zelfs niet tussen de delen. Nog nooit heeft hij zo’n lang kamermuziekwerk geschreven. Een bladzijde omslaan is niet mogelijk, de notenstroom duurt voort. Zijn uitgever liet weten: ‘Hopelijk werken de musici met iPads, anders heb je een probleem.’ De hoeveelheid dubbelgrepen is enorm, en ze zijn op de rand van speelbaar. Het gebruik van losse snaren produceert een grote klankrijkdom. Widmann heeft geprobeerd een klank te creëren die voorbij die van het strijkkwartet gaat. Hij werkt vanuit de geest van de instrumenten, viool, altviool, cello, maar gaat liefst wel over de grens.

Widmann probeerde wel tweehonderd keer aan zijn eerste kwartet te beginnen

 ‘We hebben het over Beethoven en over mijn muziek, maar op het programma in het Muziekgebouw staat die andere componist, Weber, er niet voor niets’, zegt Widmann. ‘Ook hij ging uit van het instrument en daagt mij als klarinettist uit – hij begreep de klarinet. Zijn Klarinetkwintet is een uniek stuk, knotsgek, het is theatermuziek. Debussy zei over de impressionisten, waartoe hij zelf behoorde, dat ze wisten hoe ze verfijnd konden instrumenteren, maar hij voegde daaraan toe: “Weber liet ons honderd jaar geleden al zien hoe dat moet.” Ik heb geen missie in het leven, maar wil wel Weber laten horen waar ik maar kan. Hij is ook modern, vele elementen smeedt hij tot een geheel, hij geeft er betekenis aan.’


Jörg Widmann (foto Marco Borggreve)

Beethovens cis-kleinkwartet, opus 131, werd voor Schubert gespeeld, een paar dagen voor diens overlijden. Het kwartet was niet in druk verschenen, maar in Wenen was het bestaan bekend en waren er partijen beschikbaar. Nadat hij het werk gehoord had, vroeg Schubert: ‘Wat blijft er voor ons nu nog over om te schrijven?’ Dat zei de componist van Der Tod und das Mädchen en van het Rosamunde Kwartet, die kort tevoren met zijn eigen laatste strijkkwartet een onvergankelijk meesterwerk had geschapen. ‘Schubert heeft één fout gemaakt’, zegt Widmann, ‘hij stierf.’ Een zucht. ‘Ik zou niet zonder het strijkkwartet kunnen leven. Toen ik aan mijn eerste kwartet begon, probeerde ik tweehonderd keer van start te gaan. Alle pogingen voelden verkeerd. Waarom? Het strijkkwartet is heilig, de meesterwerken die allemaal al zijn geschreven, Haydn, Ravel, Schubert. Hoe kon ik een kwartet schrijven? De druk van de geschiedenis die ik voelde was enorm. Mijn eerste probeersel opent dan ook met wat gekraak op de snaren… Een zelfverzekerde melodie? Geen denken aan. Ik verdronk toen ik begon, maar met de kwartet-ervaring die ik nu heb kan ik in ieder geval zwemmen. En toch: ik ben maar net van wal gestoken, ik ben een nobody, zo voelt het nog steeds.’ 

Dit artikel verscheen in de bijlage van de Groene Amsterdammer op 20 september 2022.

Wereldpremière

Wereldpremière van Widmann

Wereldpremière van Widmann

Ruysdael Kwartet + Jörg Widmann

wo 8 feb 2023 20:15 - 22:00